|
vooruit: bijv. nw./bijw.; , voort, voorwaarts, naar voren, voorover. Eng; in advance. Fr; à l'avance, d'avance, par avance. Du; voraus. Sp; por adelantado, con anticipation. It; in anticipo, anticipatamente. vooruit: bijwoord, tijd; bij voorbaat, a priori, op voorhand, van tevoren. Eng; forward, forwards, ahead, onward, onwards. Fr; en avant. Du; voraus, vorwärts, nach vorn, nach vorne. Sp; hacia adelante, adelante. It; avanti, innazi. met: voorzetsel; samen met. Eng; with. Fr; avec. Du; mit, samt. Sp; con. It; con. met: voorzetsel, instrumenteel; door middel van, door toedoen ven, met behulp van, middels, per. Eng; with, by. Fr; à, avec, en. Du; mit. Sp; con, en. It; con, in. de: lidwoord, bepaald, meervoud; de, het. Eng; the. Fr; l', la, le. Du; der, die, das, das, der, die. Sp; las, los, el, la, lo. It; gli, i, li, il, l', la, lo. kuit: zelfst. Nw. vrouwelijk; been, linkerbeen, rechterbeen, bovenbeen, dij, dijbeen, knie, kniegewricht. Eng; calf. Fr; mollet. Du; Wade. Sp; pantorrilla. It; polpaccio, kuit: zelfst. Nw. vrouwelijk; kikkerdril, viskuit, kaviaar. Eng; spawn, hard roe, roe. Fr; frai. Du; Laich, Rogen. Sp; hueva. It; uova kuit schieten: werkwoord, transitief; een ei leggen, kuitschieten, leggen. Eng; spawn. Fr; pondre des oeufs, frayer. Du; laichen, den Laich ablegen. Sp; desovar. Sp; deporre le uova. kuitentrekker: trekker van kuiten. na het schieten zijn kuit weer intrekken. opportunist, zuinig iemand. kuitentrekkerij: kuitengetrek, activiteit van een kuitentrekker.
|
wijs: manier, trant, wijze, stijl. modus, vorm, aantonende wijs, aanvoegende wijs, conditionalis, conjunctief. deun, melodie, deuntje, liedje, tune, wijsje. wijs: redelijk, verstandig, zinnig, zinvol. intelligent, schrander, verstandig, bijdehand, geestrijk, geestvol, kien, knap. wijs: Gents; tof, geestig. wijsneus: zelfst. nw., persoon, mannelijk; betweter, weetal, pedant. Gents: iemand met een neus voor wijze dingen. Eng; prig, smart aleck, wise guy, whippersnapper, whipster. Fr; pédant. Du; Alleswisser, Klugredner, Klugscheisser, Neumalgescheiter, Neumalkluger. Sp; sabelotodo, listillo, sabidillo, sabihondo. It; sputasentenze, saccente, sputasenno. van de wijs brengen: generen, in verlegenheid brengen, verlegen maken, onzeker maken. geen wijs kunnen worden uit: misvatten, niet begrijpen, verkeerd begrijpen, misduiden. door schade en schande wijs worden: leergeld betalen, lering trekken uit. geit: zelfst. nw., dier, vrouwelijk. zelfst. nw. figuurlijk: dommig, lomp; vooruit met de geit: uitdrukking, aanvangen, beginnen. kalf: Dialect; dommig. palpate: It. palpare; sfiorare, toccare, tastare; aanraken, aanroeren, beroeren, aankomen, betasten, bevoelen, komen aan. |
wijs: manier, trant, wijze, stijl. modus, vorm, aantonende wijs, aanvoegende wijs, conditionalis, conjunctief. deun, melodie, deuntje, liedje, tune, wijsje.